Reisverslag van een Amsterdammer door Koerdistan

Voetbal en vluchtelingen

Ik ben nog niet zo lang onderweg in de gloednieuwe witte landcruiser van Saad als hij me vraagt voor wie ik ben, Real Madrid of Barcelona? Als ik aangeef voor Barca te zijn stuurt hij de wagen abrupt naar de zijkant van de weg en nadat de auto tot stilstand is gekomen gebaart hij me uit te stappen. Even later rijden we lachend verder. Geintje natuurlijk! En wat volgt is een aangenaam ritje naar Arbil, de hoofdstad van Iraaks Koerdistan. Na de voetbal krijgen we het over de politiek en over Saddam Hussein en over zijn grote fout om Koeweit binnen te vallen in 1991. Sindsdien is het bergafwaarts gegaan met het land en het einde lijkt nog niet in zicht.

Toen hij me niet ver van het vliegveld van Sulemani oppikte dacht ik eerst dat het een Europeaan was vanwege zijn blanke huid, modieuze kapsel en een hippe zonnebril op z,n grijzende haar maar niets bleek minder waar. Saad is een Arabier en komt uit Mosul waar hij een jaar of drie geleden wegvluchtte met vrouw en vier kinderen voor de terreur zaaiende hordes van Daesh/IS. Gelukkig had Saad connecties en geld en leeft sindsdien als handelaar en tussenpersoon in Sulemani. 

Ondertussen glijdt het mooie Koerdische landschap voorbij. De sneeuw heeft plaats gemaakt voor groene dalen vol appelbomen en roodgrijze rotspartijen. Nog een maandje en dan staan alle bomen hier in bloei, vertelt Saad enthousiast, terwijl we de zoveelste checkpoint naderen waar we zonder onze passen te hoeven laten zien kunnen doorrijden. Ha ha, lacht Saad, ze denken natuurlijk dat we twee Europese expats zijn. Als hij me afzet in de merendeels christelijke wijk rond Ankawa Road geeft hij me zijn email en telefoongegevens want mocht ik in de toekomst zaken willen doen in Irak, dan moet ik bij hem zijn.

In Arbil nestel ik me gedurende drie dagen in een hotel in de levendige bazaar aan de rand van het Arbil-Plein waar het van de vroege ochtend tot de late avond een drukte van belang is. Hoog boven het centrum torent de imposante citadel dat onder normale omstandigheden een toeristenmagneet van jewelste geweest zou zijn. Aan de voet van de burcht stikt het van de restaurantjes en souvenirwinkeltjes voor de vele lokale dagjesmensen.

Arbil beleefde aan het begin van de eeuw een economische bloeiperiode waar even geen einde aan leek te komen. Maar toen brak de Arabische lente aan en niet veel later dook Daesh op, zoals IS hier genoemd wordt en de gevolgen zijn duidelijk merkbaar. De economische 'boom' kwam tot stilstand en het wemelt er van de vluchtelingen. Syrische Koerden op de vlucht voor Assad en IS en Iraakse Soennieten uit het midden van het land op de vlucht voor Sjiitische milities en IS. Overal zijn ze aan het werk in de bazaar, de theehuizen en de restaurantjes in een poging met het (ongetwijfeld) weinige geld dat ze verdienen het hoofd boven water te houden. 

Als ik een koffie bestel met heerlijke Baklava doe ik dat bij een leuke vent uit Hassaka in Syrië en bij m,n favoriete fruitjuice-corner werken louter jongens uit de Anbar-provincie die absoluut niet meer terug willen sinds de sjiieten er de baas spelen. In de theehuizen waar het goed voetbal kijken is werken brutale Arabische jochies uit Samara of Falujjah die af- en aanlopen met thee en gloeiende kooltjes voor de stevig waterpijp rokende klandizie. Ergens op een terrasje rustig een boek lezen is er niet bij want om de haverklap wordt er gevraagd om je schoenen te poetsen of staan jochies met doosjes kauwgum bij je die soms net zo hardnekkig aan je blijven kleven als het goedje dat ze verkopen. In mijn hotel en grote delen van de stad is overdag geen stroom. Op de achtergrond hoor je steevast het gebrom van de talloze generatoren. Pas vanaf vijf uur in de namiddag tot vier uur 's nachts kan de stad zich laven aan verlichting en de warmte van de elektrische kachels (minus de continue elektriciteitsonderbrekingen natuurlijk).

Maar ondanks de gebreken en moeilijkheden is het goed toeven in Koerdistan. Daar zorgen de mensen wel voor die qua vriendelijkheid niet onderdoen voor hun buren uit Iran. Ik val van de ene mooie ontmoeting in de ander en om elke hoek ligt een verhaal voor het oprapen. Abdullah, die uit Duitsland is terug gekeerd en een parkeerplaats verhuurd nabij zijn geboortehuis in een deels in puin liggende wijk nabij de citadel, verhaalt somber over het Duitsland onder Mutti Merkel en komt na een tiental minuten met openhartige verhalen over zijn vijf jaar in een Duitse gevangenis wegens cokehandel en zijn stukgelopen huwelijk met een Duitse en het kind dat hij sindsdien niet meer ziet. 

De naar Canada geëmigreerde Udai uit Basra verhaalt smartelijk over zijn zes jaar lange verblijf in een vluchtelingenkamp in de Saoedische woestijn aan het eind van de eerste Golfoorlog toen zijn volk (de Shiieten) zo jammerlijk in de steek werden gelaten na de beruchte 'Uprising' tegen het regime in Bagdad. In tegenstelling tot veel landgenoten is hij vol goede hoop over het Irak na Daesh. De soennieten zullen dankbaar zijn zodra ze door hebben hoe goed we voor dit land zullen zorgen en de Koerden zullen nooit hun eigen staat willen hebben want wij (in het zuiden) zitten immers op de grootste olievoorraden.

Na drie dagen Arbil en twee dagen in Sulemani is het de hoogste tijd om wat natuur op te snuiven en rond een uur of negen wandel ik de stad uit in noordoostelijke richting om op weg te gaan naar de bergen rond Rawandoz waar ik goede verhalen over gehoord heb. Het duurt lang voordat ik op een goede plek kom waar ik kan beginnen met liften maar als ik een zijstraat passeer waar net een oude man aankomt in een imposante 4WD ben ik zo de stad uit. Even later word ik afgezet bij een benzinestation en rijd ik verder met een aardige kerel uit Bagdad die samen met zijn moeder die naast hem zit al een paar jaar in Koerdistan woont. Sinds de shiieten de macht hebben overgenomen is het leven dermate zwaar voor hem als soenniet dat hij er voor heeft gekozen naar Arbil te verhuizen. Daar ga je met je mooie theorie Udai, denk ik, terwijl hij vertelt over permanente bedreigingen en intimidaties. 

Met twee jongens in een afgeragde Renault kom ik aan in het dorpje Salaheddin. Ze denken me een enorm plezier te doen met westerse muziek. De prachtige Koerdische muziek die ze draaiden wordt verruilt voor Céline Dion op oorteisterend geluidsniveau. Ik ben blij dat het ritje niet te lang duurt. Na een korte theepauze zit ik al snel in de auto bij een Koerd die vier jaar in Polen gestudeerd heeft. Hij is vol lof over de Polen en spreekt volgens eigen zeggen vloeiend Pools. Daarna heeft hij ook nog in Duitsland gewoond maar had het al snel zo gehad met de volgens hem bekrompen en racistische Duitsers dat hij weer terug is gegaan naar Koerdistan. Een interessante mening die volledig afwijkt van het in West-Europa heersende beeld van de xenofobe Oost-Europeanen en de ruimhartige Duitsers. 

Met een enorm aardige man van middelbare leeftijd bereik ik aan het begin van de middag de spectaculaire bergen rond Rawandoz. Hij heeft negentien jaar als vluchteling in Iran gewoond, net als ruim een miljoen landgenoten op de vlucht voor Saddam en zijn genocidale politiek ten aanzien van de Koerden. Hij is vol lof over de buren en daar kan ik hem natuurlijk volledig in bijstaan. Hij komt er nog regelmatig om zijn vrienden op te zoeken, allemaal Perzen. We krijgen het over de vele vluchtelingen die nu in Koerdistan worden opgevangen, over de wisseling van het lot. Hij knikt ernstig en wijst op de plicht die ze hebben om ze op te nemen. Dertig jaar geleden vluchtten wij alle kanten op. Nu is het onze beurt om wat terug te doen. 

In Rawandoz ga ik eerst op zoek naar een onderkomen in het spectaculair gelegen stadje. Dat blijkt nog geen makkie. Twee lokale jongens die maar wat graag hun Engels willen oefenen rijden me rond in de pick up van hun vader maar afgezien van een peperduur resort is er geen ander aanvaardbaar hotel. Of de elektriciteit is afwezig of er is geen verwarming of men is gesloten wegens een verbouwing. Uiteindelijk laat ik me door de jongens afzetten bij de hypermoderne kabelbaan naar het ski-oord Korak. Eerst maar eens naar boven om te genieten van het uitzicht. Waar ik kom te overnachten zie ik later wel.

Mahdi, ik mag hem Mad noemen, werkt bij de kabelbaan en heeft een tijd in London gewoond. Hij is een paar jaar geleden naar Koerdistan terug gegaan maar heeft er nu spijt van. Hij beklaagt zich vooral over de saaiheid in zijn land en de corruptie die eerder erger wordt dan beter. Er is zo weinig te beleven 's avonds laat, verzucht hij, en als hij verhaalt over het nachtleven in London verschijnt er een glans in zijn ogen en een ondeugende glimlach op zijn gezicht. Met twee jonge gasten uit Bagdad deel ik de cabine naar boven. Ze zijn met de auto van papa naar Arbil gereden en ondernemen nu een dagtocht met een bus. Ze nodigen me uit om naar Bagdad te komen waar het volgens hen helemaal niet zo erg is als beweerd wordt. Ze hebben het goed en de negatieve verhalen zijn overdreven. Ik moet even denken aan lift twee van vandaag en bedenk me verwonderd hoe verschillend de Irakezen het leven ervaren. Het ene moment ben je de koning en lacht het leven je toe terwijl een paar jaar later de situatie volledig op de kop is gezet en je uitschot bent geworden. Of andersom. Daarvan zitten twee bewijzen voor m,n neus. Ze verhalen over hun studie aan de filmacademie en als we samen de besneeuwde flanken van de Korak op wandelen zijn ze al gauw druk aan het fotograferen.

Op de berg heerst een soort feeststemming. Groepjes jongelui gillen het uit terwijl her en der mensen elkaar met sneeuw inpeperen. Een lokale jeugdige volkszanger brengt er wat sfeer in via een imposante muziekinstallatie. Ik zoek met de twee jongens uit Bagdad de rust op en beklim een helling waar we al snel tot de knieën in de sneeuw zakken. Als een van de jongens tot aan zijn middel wegzakt komen we erachter dat de flank doorsneden wordt met meters diepe geulen. Oppassen dus! Voorzichtig keren we op onze schreden terug. Na anderhalf uur genieten en een thee in een restaurant van Oostenrijkse klasse neem ik de kabelbaan weer naar beneden om op weg te gaan naar het toeristenstadje Akre dat een kilometer of vijftig van Rawandoz afligt. Met een beetje mazzel weet ik daar voor  het donker worden aan te komen en het vinden van een onderkomen lijkt me daar geen enkel probleem.

Na een snel ritje met een BMW word ik op de snelweg Arbil-Akre-Dohuk afgezet. Na een minuut of tien kom ik terecht in een smerige pick up met een chauffeur die zegt dat hij monteur is maar dat had ik al gezien door de overal vol olievlekken waarin hij achter het stuur zit. Hij levert me vijf kilometer verder af bij een militaire controlepost maar of dat nou zo,n goed idee is? De twee jonge soldaten kijken in eerste instantie vreemd op als ze me zien, terwijl de monteur m,n situatie uitlegt, maar al snel vinden ze mijn komst een welkome afleiding in de dagelijkse sleur. Als er na een paar minuten een bestelwagen met bestemming Akre aan komt rijden regelen de soldaten dat ik mee kan rijden. In sommige landen heb je als toerist echt een streepje voor :-)

Als ik bij het vallen van de avond in Akre aankom loop ik richting het oude centrum in de hoop en verwachting daar wel een hotel te vinden. Bij een winkeltje vraag ik naar een hotel of pension en word doorverwezen naar het koffiehuis van ene Arkan die goed Engels schijnt te spreken. Dat valt flink tegen maar zijn vriendelijkheid maakt alles goed. Al snel laat hij z,n koffiehuis, dat fungeert als een hangplek voor de lokale jeugd, in de steek en ga ik met hem in z,n oude landcruiser op zoek naar een hotel. Eerst rijden we naar motel Azadi aan de rand van de stad. Het is er volledig leeg en de verwarming is kapot en ze vragen vijftig euro!? Na lang aandringen wil de niet al te vriendelijke receptionist wel zakken tot veertig maar dat vind ik nog veel te veel. Ook Arkan vindt het maar niks en hij gebaart me weer in te stappen. Hij weet nog wel een andere plek.

Maar na een klein uur blijken alle opties in Akre of buiten gebruik te zijn of in verbouwing of zonder elektriciteit te zitten. Wat nu? Zodra we de auto geparkeerd hebben bij het koffiehuis komt er een knappe jongeman op me af die goed Engels blijkt te spreken. Hij werkt als kapper in de zaak naast Arkans' jeugdhonk en heet Safeen. Hij wil me wel helpen met de zoektocht naar een hotel maar zodra hij hoort van onze zoekactie tot nog toe vraagt hij waarom ik niet in het koffiehuis blijf slapen? Door de taalbarrière was Arkan daar nog niet toe gekomen maar hem lijkt het ook een prima idee. En als ik de opties afweeg, of slapen in een kaal en eenzaam onderkomen, eventueel Azadi, of de avond doorbrengen in het gezelschap van Arkan, Safeen en hun vrienden, dan is de keus natuurlijk snel gemaakt! En al gauw maken we rechtsomkeert en kom ik met m,n rugzak het stoffige jeugdhonk binnenlopen waar een aantal gasten een spelletje domino aan het spelen is. Het is donderdagavond, de uitgaansavond voor de lokale jeugd, en ik ben benieuwd wat deze avond me nog gaat brengen.

Safeen laat zijn collega kappers weten dat hij het werk op deze drukke donderdagavond voor gezien houdt en gaat samen met mij op stap voor een rondje oude stad. Onderweg vertelt hij van zijn droom ooit naar Canada te emigreren. Hij houdt van zijn land maar verveelt zich er rot. Hij wil de wijde wereld in trekken, weg uit de sleur. Naast zijn kapperswerkzaamheden studeert hij aan het lokale college en hoopt daarna op een vervolgstudie in het buitenland. Ondanks dat het donker is valt er nog genoeg te zien. De oude stad ligt als het ware tegen een grijze afgeplatte rots aangeplakt waarop de resten liggen van een vermoedelijk duizenden jaren oude nederzetting. Daar gaan we morgen heen, belooft Safeen me enthousiast. Inmiddels heeft hij een vriend gebeld die ons nog een tijdje rondtoert in (alweer) een landcruiser. We komen uit bij een mooi gelegen theehuis waar het een drukte van belang is. We gaan buiten aan een tafeltje zitten want binnen is het bomvol domino spelende mannen en hangt er een mist van de rook uit tientallen waterpijpen.

Ook bij terugkomst in het koffiehuis staat het blauw van de rook. Ik ben zelden in een land geweest waar zo veel gepaft wordt. Daarom is de vraag of ik een potje wil voetballen dan ook des te verrassender. Zeker gezien het tijdstip! En tot mijn verbazing gaan vrijwel alle aanwezige gasten mee. Ze hebben ergens aan de rand van de stad een voetbalveld gehuurd van elf tot twaalf uur. Het lijkt de jongens hartstikke leuk als ik mee wil doen maar in eerste instantie houd ik de boot af en werp tegen dat ik geen normaal sportschoeisel heb en geen sportieve kleding. Maar als ze zich gereed maken en de ene na de ander in sportoutfit zich in Arkans' koffiehuis meld, waaronder een flink aantal mannen van een jaar of veertig, laat ik me overhalen om mee te doen. Op m,n wandelschoenen :-)

Om kwart voor elf scheuren we in colonne naar het voetbalveld dat een modern overdekt kunstgrasveld blijkt te zijn. Tijdens het warm lopen valt de elektriciteit uit maar dat is gelukkig van korte duur. Dan begint de wedstrijd tussen de veelal jonge jongens uit de koffieshop waaronder Safeen en Arkan en de oude garde. Natuurlijk speel ik mee met de koffieboys maar dat valt nog niet mee! Ik speel al jaren geen voetbal meer en met het klimmen der jaren ben ik er zeker niet leniger op geworden. Of zijn het mijn wandelschoenen? Als een Houten Klaas beweeg ik me over het veld en ik kom in het spelbeeld nauwelijks voor, (mede door de neiging van de gemiddelde voetballer vooral voor eigen acties te gaan). En dus beperk ik me voornamelijk tot verdedigende acties. Tijdens het spelen bedenk ik me de absurde situatie dat ik een been breek of m,n enkelband scheur. Ga dat maar eens uitleggen aan de verzekering! Tijdens een potje voetbal in Irak zegt u?!? :-)

Aan het eind van het uur kom ik eindelijk een beetje in m,n spel en scoor zowaar nog een doelpunt ook. Het beste is er dan al lang af bij de tegenstanders die over veel techniek maar weinig conditie beschikken. Zou het roken daarbij een rol spelen? Aan het eind van de wedstrijd volgt er een elftalfoto en bij het afscheid nemen van het andere team moet ik bij iedereen langs voor een selfie. De derde helft bestaat uit warme melk en thee. Alcohol komt er bij deze islamitische jongeren niet in. Gezellig is het wel en aan het kaarten, domino spelen en sterke verhalen vertellen komt pas een eind als om een uur of twee de elektriciteit er af gaat. 

Safeen die in de buurt woont heeft inmiddels voor dekens en kussens gezorgd en zal mij vanavond gezelschap houden. Een voor een vertrekken de jongens naar hun huis. Arkan als laatste maar niet nadat hij een petroleumkachel heeft opgetrommeld die hij naast de bank plaats waarop ik kom te slapen. Ik pas er maar net op, zo smal is-ie, en moeizaam wurm ik me in een acceptabele positie. Ik ben benieuwd of er van slapen veel komt? Maar ach, wat zou het. Het is maar voor een nacht. Dit is nou echt wat je noemt couchsurfing, bedenk ik me met een grijns, terwijl ik in de rode gloed van de petroleumkachel kijk. En niet veel later volgt, opvallend snel, de slaap.